Het nestje

De bevalling gebeurt meestal 's avonds of 's nachts. Er kan een beetje bloed bij komen, dat is niet erg. De kleintjes zijn bij de geboorte zo'n 1 centimeter lang, kaal, roze en hebben de oogjes dicht. Het gemiddelde aantal kleintjes is 6, maar het kunnen er ook maar 2 zijn of wel 13!

Probeer de moeder de eerste dagen zo weinig mogelijk te storen en veel rust te geven. Als je wilt kijken, doe dit dan zo stil mogelijk en doe het alleen met je ogen, niet met je handen. Als je de kleintjes namelijk aanraakt, kan het zijn dat de moeder ze niet meer herkent en ze opeet. Pak ook de moeder niet op, dan loop je het risico dat ze ook haar kleintjes niet meer herkent of ze tegen jou wil beschermen door te bijten. Als er een kleintje lang buiten het nest ligt, en de moeder brengt het niet terug, pak dan een lepel. Haal deze door het plashoekje van de moeder, zodat haar geur eraan komt, schep het kleintje voorzichtig op en leg het in het nestje.

Als je het nestje te veel stoort, kan de moeder uit stress de kleintjes opeten.
Dit kan ook gebeuren als je de moeder te weinig eten geeft, als de kleintjes niet gezond zijn, als er te veel kleintjes zijn en de moeder ze niet kan verzorgen, of als de moeder niet weet hoe ze voor ze moet zorgen. Het is natuurlijk heel verdrietig als zoiets gebeurt, maar het is wel de natuurlijke manier.

De kleintjes zullen groeien, haar krijgen, vast voedsel gaan eten en de kooi gaan verkennen. Nu eten ze dus met de pot mee en zul je meer eten in de kooi moeten leggen. Kijk regelmatig hoeveel eten er nog is en vul het op tijd bij, want de kleintjes hebben het nodig om te groeien en de moeder om de kleintjes melk te kunnen geven. Als je voor het eerst een nestje hebt, kun je je verkijken op de hoeveelheid eten die nodig is. Het beste kun je zoveel droogvoer geven zodat er wat overblijft aan het einde van de dag, dan is het in ieder geval genoeg. Blijf, net als toen de moeder zwanger was, eiwitrijk voedsel geven zoals brintameelwormen, ei en kip en geef ook veel groente. Als je veel verschillende soorten groente geeft, leren de kleintjes veel nieuwe dingen kennen. Kijk ook hierbij hoeveel er overblijft en geef liever te veel dan te weinig. Als extra kun je elke dag wat noten, pitten en zaden geven, zoals zonnebloempitjes of sesamzaad.

Rond de tijd dat ze uit het nestje komen, kun je beginnen met oppakken en aanraken. De kleintjes zijn dan ongeveer 10 dagen oud.
Pas op als je ze optilt, doe dit vlak boven de kooi, tafel of de grond, zodat ze niet diep vallen, als ze vallen. Door ze regelmatig vast te houden, wennen ze hieraan en worden ze goed tam.
Als ze zo'n 2 weken oud zijn, gaan de oogjes open. Vanaf dat moment zien ze er al echt uit als hamstertjes.

Als het goed is, zorgt de moeder goed voor de kleintjes. Na een tijdje kunnen ze zelf eten en zich wassen. Ze hebben de moeder dan niet meer echt nodig en zijn alleen nog maar lastig voor haar omdat ze zo druk zijn. Als je merkt dat de moeder in een ander hoekje gaat slapen dan de kleintjes of steeds van ze wegloopt als ze willen drinken, kun je haar in een andere kooi zetten. Ze zijn dan ongeveer 3 weken.

Tot ze zo'n 4 weken zijn, kunnen de kleintjes met mannetjes en vrouwtjes bij elkaar zitten. Daarna moet je ze scheiden op geslacht, om te voorkomen dat ze met elkaar kleintjes zullen krijgen.

Na de hele tijd bij elkaar gezeten te hebben en van elkaar en hun moeder geleerd te hebben, kunnen de kleintjes vanaf zo'n 5 weken helemaal zelf gaan leven. Ze hebben hun eigen kooi nodig en kunnen naar een nieuw baasje.